Herinneringen
8 - Naar Alexandrópoli, de Evros-delta en en de bossen van Souflí

Na de honden wilden we naar Maróneia en Messímvria om daar de opgravingen te bekijken. Het kostte niet erg veel moeite om het dorp Maróneia te vinden. We moesten er wel een flink eind voor omrijden omdat er langs de kust geen weg was, maar dat was verder geen probleem. Wél een probleem was het om de opgraving te vinden. Die lag ver uit het dorp richting zee, maar er was geen weg of geitenpad daarheen.

Met puur geluk zijn we er toch gekomen. We stuitten zomaar ineens op een opgegraven theatertje. Op zichzelf stelde de opgraving niet veel voor. Het theatertje stamde uit de vierde eeuw voor Christus. In de Romeinse tijd veranderde het theater van functie: het werd een arena voor de gladiatoren. Daarbij ging in feite het antieke theater verloren. Na de Romeinen werd de grond in en om het theater gebruikt als begraafplaats.

Bij Maróneia was men duidelijk driftig bezig geweest om in en rond het theater de oudheid bloot te leggen. Op het moment dat wij er waren was er niemand bij de opgraving waar wij iets aan konden vragen. Ik heb dan maar bedacht dat het theater op de plaats is gebouwd waar al bebouwing was. Er was namelijk in de speelvloer een diepe sleuf gegraven en verder waren er nog wat 'proefboringen'. Overal stonden piketpaaltjes, maar ook daar werd ik niets wijzer van.

Ineens bij een inscriptie in de banken van het theater flitste het door mijn hoofd dat we hier vele jaren daarvoor al eens geweest waren. Dat was helemaal uit mijn geheugen verdwenen! We hadden totaal geen herinneringen aan ons eerste bezoek aan Maroneia overgehouden. Of hadden we steeds gedacht dat het theater dat we toen bezocht hadden dat van Messimvria was?




Ik nam na mijn 'flits' wat foto's van het door ons vergeten theater.





De stoel van Paulus. Volgens de overlevering heeft hij hier gepredikt.


Daarna gingen we verder lopend op zoek naar meer resten van de Hellenistische stad. Niets, niets, niets ...! Geen steen te zien. Er moest beslist meer te zien zijn, maar na een halfuurtje zoeken trokken we zonder iets gevonden te hebben naar een dorp verderop: Messímvria, waar ook antieke overblijfselen moesten zijn.

Ook bij Messímvria waren de opgravingen moeilijk te vinden. Niet onlogisch, want toeristen kwamen vrijwel nooit in deze uithoek van Griekenland en zelfs per ongeluk kwam er ook nooit iemand terecht, want er was geen weg naartoe, zelfs geen geitenpad en de 'grote' weg naar Alexandrópoli lag tig kilometer verder naar het Noorden.

Uiteindelijk zijn we er net als bij Maróneia bij toeval gestuit op een theater. Vanzelfsprekend heb ik daar ook weer foto's genomen en omdat we de twee theaters een paar uur na elkaar bezochten konden we ze mooi met elkaar vergelijken. Jammer genoeg zijn die foto's ooit bij een computercrash verloren gegaan. Zonder foto's laat mijn geheugen mij bij dit theater geheel in de steek. Het enige wat ik heb onthouden is dat de resten van de stadsommuring en de fundamenten van de huizen en het theater pal aan zee lagen.

Van Messímvria naar Alexandrópoli was een uiterst moeizaam tochtje langs de zee over een rotspad. Twintig kilometer in twee uur! De enorme vuurtoren van Alexandrópoli wees ons duidelijk de weg.

Alexandrópoli bleek een zeer levendige stad. Iedere keer dat we er waren (zes maal) was het er drukker en gezelliger dan de vorige keer. Bij ons eerste bezoek was het overal een dooie boel met wat toeristen, de laatste keer puilde de stad uit van de Turken die in Turkije vakantie gingen vieren, en van de toeristen met enorme campers die voordat ze naar Turkije reden net als de Turken allerlei inkopen deden. Een echte pleisterplaats dus, die deed denken aan de caravanserais van vroeger. Er kwamen daardoor in de stad en vooral op de zeeboulevard enorm veel hotelletjes, restaurantjes en winkeltjes bij. Het was er echt best Grieks druk gezellig geworden!

De stadscamping waar we gingen kamperen lag aan de westelijke rand van de stad: een grote zanderige vlakte aan het strand zonder enige schaduw en volgepropt met buitengewoon grote campers. Voor ons was er de laatste keer dat we daar op doorreis waren naar Turkije met ons kleine tentje en de auto nauwelijks plaats.

In de zomer van 1991 hebben we vanuit de camping een tochtje door de beboste bergen ten noorden van Alexandrópoli gemaakt op zoek naar de zeldzame monniks- en lammergieren die daar moesten huizen. We hebben de zoektocht daarnaar helaas vroegtijdig moeten staken, vanwege onvoorstelbare hoeveelheden muggen en horzels die ons stonden op te wachten toen we uit de auto stapten.

Een jaar later gingen we in dezelfde streek toch weer op zoek naar die gieren. We hadden ons terdege tegen alle soorten ongedierte gewapend. Ook die zoektocht leverde erg weinig op. We verdwaalden over zandpaden in de dichte bossen en kwamen uiteindelijk via Bulgaars grondgebied (dat overigens niet bewaakt werd) terecht in Mikri Déreio, een nietig dorpje, zelfs zonder een kafeníon (!), middenin de bossen. Omdat het inmiddels bijna donker was geworden stopten we nergens en zijn we oerend hard naar de camping in Alexandrópoli teruggereden. We zagen onderweg nog wel dat Didimótikon een prachtig, gezellig oud stadje was, waar we beslist nog eens naar toe moesten.

De volgende dag gingen we naar de Evros-delta. De Evros vormt de grens met Turkije. De delta is een enorm groot moerassig gebied, met buitengewoon veel riet-, waad- en watervogels. Er zijn daar op doortrek enorme aantallen vogels die er foerageren.

Het was dat jaar kennelijk een uitstekend insectenjaar, want ook daar konden we niet echt lang verblijven. Vanwege de grote horzels, 'menseneters' of beter mensenbloeddrinkers, was het helaas niet mogelijk om buiten de auto te gaan fotograferen. De deur van de auto had ik nog niet half opengedaan of er zaten al twintig, dertig driehoekige horzels binnen. Ze vliegen langs en steken of bijten. Als je allergisch voor de steken bent, loop je de kans dat je in het ziekenhuis terechtkomt. Niet geheel toevallig had ik een spuitbus 'Raid' (voor Griekenlandgangers een bekend merk insectendoder) bij me die nog niet geheel tegen de muggen was opgebruikt bij Imenós. Toen alle bloeddorstige beesten in de auto dood of versuft waren, slaagde ik er gelukkig nog in door een kiertje van een raam een paar foto's van rondvliegende pelikanen te maken.





Dit lijkt op ijs of schuim, maar het is zout.

We reden daarna door naar het haventje van de vissers en merkwaardig genoeg was daar geen enkele 'steker' te vinden. Ook nauwelijks vogels, maar wel een paar platbodempjes van de vissers. Voor de vogels hadden we dus niet naar de delta gehoeven.



<-- Herinneringen 7 Herinneringen 9 -->


© Ben de Graaf Bierbrauwer

Reacties naar benilse@quicknet.nl
www.bgbpix.nl